Ik plukte mijn eerste appel in de fruittuinen van Philips,
en zag in het stadswandelpark mijn állereerste winter.
Aaide mijn eerste kalfje in de Genneper Hoeve,
at mijn eerste zandtaartje in de zandbak bij de Splinter.

Ik schrijf boekjes vol gedichten op mijn vredesoord,
het middelste bankje naast de Dommel.
En de trommelaar trommelde vaak maar al te graag,
op mijn trommelvliezen in slechte staat,
wanneer ik enigszins beschonken,
bij hem deponeerde wat ik excessief had gedronken.

Inspiratie vind ik op de muren van de berenkuil,
in de witte dame de állermooiste woorden.
Stilte op mijn geheime plekje achter de Collse watermolen,
En in Pand P laat ik zo nu en dan wat van me horen.

Ik wandel met mijn nicht rondom haar huisje op Eckartdal,
Voel me op Strijp S altijd ongelofelijk niet-hip.
Dicht met mijn schrijfvrienden van de Twinkelbel,
En eet het allerliefst een broodje kruisstraatse kip.

Ik verloor en hervond al jaren op déze plaatsen,
al lang voordat ze de titel “geluksplekken” kregen.
Maar wanneer ik nu langs mijn favoriete plekjes rijd,
kom ik een officieel Eindhovens geluksplekje tegen.

Jessica Bartels, Stadsdichter Eindhoven